ECLI:NL:CRVB:2019:315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten wegens niet volledig rolstoelgeschikte woning
Appellant vroeg een maatwerkvoorziening aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten. Het college stelde als voorwaarde dat de nieuwe woning volledig rolstoelgeschikt moest zijn. Hoewel appellant een verhuurdersverklaring overlegde waarin werd gesteld dat de woning volledig rolstoelgeschikt was, wees het college het verzoek af omdat de woning niet voldeed aan het Toetsingskader rolstoelwoningen 2009.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was voldaan aan de voorwaarde van volledige rolstoelgeschiktheid en het beroep op de hardheidsclausule en het vertrouwensbeginsel niet slaagde. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de woning passend was en dat hij mocht vertrouwen op de informatie van de woningstichting.
De Raad overwoog dat het college het bevoegde orgaan is en dat de woning niet voldoet aan de noodzakelijke afmetingen voor veiligheid van rolstoelgebruikers. De hardheidsclausule werd niet toegepast en het vertrouwensbeginsel werd niet geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten is terecht afgewezen omdat de woning niet volledig rolstoelgeschikt is.