ECLI:NL:CRVB:2019:319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor eerste maand huur en inrichtingskosten na relatiebreuk
Appellant ontving bijstand en vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van de eerste maand huur en inrichting na een relatiebreuk en verhuizing. Het college wees dit af omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die onmiddellijke verhuizing noodzakelijk maakten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege zijn persoonlijke situatie recht had op bijzondere bijstand in de vorm van een gift, niet als lening. De Raad oordeelde dat appellant nog belang had bij het hoger beroep omdat de toegekende bijzondere bijstand in 2017 een lening betrof.
De Raad stelde vast dat bijzondere bijstand alleen wordt toegekend als kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan. Appellant kon niet aantonen dat hij acuut moest verhuizen of had kunnen sparen. Schulden en schuldhulpverlening vormen geen bijzondere omstandigheden.
Daarom was het college terecht tot afwijzing gekomen en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.