Uitspraak
16.4587 WWAJ
.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep tegen de weigering van het UWV om een Wajong-uitkering toe te kennen aan betrokkene, die sinds 21 februari 2015 volledig arbeidsongeschikt is. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet voldeed aan de opdracht uit een eerdere tussenuitspraak om het besluit deugdelijk te motiveren.
De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende had toegelicht waarom betrokkene niet duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn, mede omdat de prognose niet was toegespitst op de individuele situatie van betrokkene, die naast psychische klachten ook zwakbegaafdheid heeft. De reactie van de behandelend psychiater bood geen duidelijkheid over de situatie in 2015, en de arbeidsdeskundige steunde het standpunt van de verzekeringsarts.
De Raad concludeerde dat het UWV niet in staat was het besluit adequaat te motiveren en vernietigde het besluit van 16 december 2014. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat betrokkene vanaf 21 februari 2015 recht heeft op een Wajong-uitkering. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering vanaf 21 februari 2015; het besluit van het UWV wordt vernietigd.