Betrokkene ontving bijstand en vertrok in november 2015 naar Zuidoost-Azië, met de mededeling terug te keren in mei 2016. Bij terugkeer meldde hij zich op 19 april 2016 voor een nieuwe bijstandsaanvraag. Het dagelijks bestuur kende bijstand toe per 10 mei 2016, maar verlaagde deze met 100% voor één maand wegens onvoldoende inspanningen om arbeid te verkrijgen voorafgaand aan de aanvraag.
De rechtbank vernietigde deze maatregel omdat betrokkene pas op 18 mei 2016 concrete sollicitatieverplichtingen kreeg opgelegd. Het dagelijks bestuur ging in hoger beroep, stellende dat de verplichting tot verantwoordelijkheidsbesef al vóór de aanvraag gold en niet expliciet kenbaar hoefde te zijn gemaakt.
De Raad oordeelde dat de verplichting inderdaad vanaf de datum van melding (19 april 2016) gold, maar dat het bestuur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat betrokkene tekortschietend was in het tonen van dit besef. De inspanningen van betrokkene, inclusief sollicitaties vanuit Thailand en Nederland, en het feit dat de sollicitatieverplichtingen pas vanaf 18 mei 2016 golden, maakten de maatregel onvoldoende gemotiveerd.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het dagelijks bestuur in de proceskosten van betrokkene.