Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 oktober 2019
Publicatiedatum
11 oktober 2019
Zaaknummer
18/2287 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beëindiging ziekengeld wegens onvoldoende medische motivering

Werkneemster was werkzaam als helpende in de thuiszorg en meldde zich ziek met gewrichtsklachten. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV beëindigde het ziekengeld op basis van een arbeidsdeskundig onderzoek dat uitwees dat werkneemster meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.

Werkneemster maakte bezwaar tegen het besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van werkneemster gegrond vanwege discrepanties tussen de FML en het onderliggende medische rapport, waardoor de medische grondslag van het besluit onvoldoende was gemotiveerd. Het UWV stelde in hoger beroep dat deze discrepanties niet bestonden, terwijl werkneemster het oordeel van de rechtbank onderschreef.

De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de discrepanties constateerde en dat de nadere toelichting van de verzekeringsarts in hoger beroep deze niet voldoende verklaarde. Ook werd vastgesteld dat de geselecteerde functie van magazijnmedewerker ongeschikt was vanwege onvoldoende afwisseling in zitten, staan en lopen. Het hoger beroep van werkneemster slaagde, het incidenteel hoger beroep van Stichting niet. Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met de mogelijkheid tot beroep bij de Raad. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan werkneemster.

Uitkomst: Het hoger beroep van werkneemster wordt toegewezen en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Uitspraak

18.2287, 18/2777, 18/5806 ZW

Datum uitspraak: 2 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
30 maart 2018, 16/854 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkneemster] te [woonplaats] (werkneemster)
Stichting [Stichting] te [gemeente] ( [Stichting] )
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens werkneemster heeft mr. T.H.M.M. Kusters hoger beroep ingesteld.
Namens [Stichting] heeft mr. C.A. van der Steen, advocaat, te kennen gegeven als partij deel te willen nemen in het hoger beroep en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben verweerschriften ingediend en over en weer gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2019. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Werkneemster en [Stichting] zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Werkneemster is laatstelijk werkzaam geweest als helpende in de thuiszorg bij [Stichting] voor 19,77 uur per week. Op 20 september 2014 heeft zij zich ziek gemeld met gewrichtsklachten. Per 1 mei 2015 is het dienstverband van werkneemster beëindigd. Werkneemster is vervolgens in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts werkneemster op 19 augustus 2015 gezien. Deze arts heeft werkneemster belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 augustus 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat werkneemster niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens functies geselecteerd en berekend dat werkneemster meer dan 65% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 11 september 2015 het ziekengeld van werkneemster met ingang van 20 oktober 2015 beëindigd. Werkneemster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft het bezwaar van werkneemster bij besluit van 4 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.
Werkneemster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Dit heeft zij onderbouwd met de in bezwaar ingediende rapporten van medisch adviseur en verzekeringsarts Lok en met informatie van haar behandelend artsen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep van werkneemster tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en – met een veroordeling in proceskosten en vergoeding van griffierecht – het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. De rechtbank heeft in de informatie uit de behandelend sector en de door Lok in bezwaar en beroep uitgebrachte rapporten geen aanleiding gezien de FML van 19 augustus 2015 voor onjuist te houden. Wel heeft de rechtbank een discrepantie aanwezig geacht tussen de FML en het daaraan ten grondslag liggende rapport van de verzekeringsarts van 19 augustus 2015. Gelet op dit rapport is werkneemster aangewezen op rug-, hand- en kniesparend werk, en is zij beperkt op knielen en hurken qua duur en frequentie, mag zij niet al te lang langdurig aaneengesloten zitten en dienen hoog frequente en extreme rompbewegingen te worden vermeden. Daarnaast dienen zitten, staan en lopen afgewisseld te worden. Nu in de FML op deze specifieke aspecten geen beperkingen zijn opgenomen acht de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
3.1.
In hoger beroep heeft het Uwv onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 april 2018 en 6 augustus 2019 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van inconsistenties in de medische beoordeling.
3.2.
Werkneemster heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in de beschikbare medische informatie, waaronder de rapporten van haar medisch adviseur Lok, geen aanleiding heeft gezien zwaardere beperkingen aan te nemen dan in de FML zijn opgenomen. Werkneemster acht de geselecteerde functies voor haar niet geschikt. Het standpunt van de rechtbank dat sprake is van inconsistenties wordt door werkneemster onderschreven.
3.3.
[Stichting] heeft zich in incidenteel hoger beroep (kort gezegd) achter het standpunt van het Uwv geschaard dat van inconsistenties in de medische beoordeling geen sprake is en dat er geen reden is aanvullende beperkingen in de FML op te nemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft terecht op grond van de haar beschikbare gegevens geoordeeld dat de FML van 19 augustus 2015 en het daaraan ten grondslag liggende rapport van de verzekeringsarts, die in bezwaar door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beide zijn onderschreven, ogenschijnlijk discrepanties bevatten, die zonder nadere toelichting niet begrijpelijk zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep slechts onderbouwd waarom de FML volgens hem voldoende beperkingen bevat, maar is op de vermeende discrepantie met het onderliggende rapport van de verzekeringsarts niet ingegaan. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd. Gelet hierop slaagt het hoger beroep van het Uwv niet.
4.2.
In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog uiteengezet waarom zijns inziens van discrepanties geen sprake is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij erkend dat in de FML ten onrechte geen extra beperking is opgenomen ten aanzien van het met kracht inzetten van schroefbewegingen. Voor het overige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat niet in geschil is dat de medische beperkingen door de verzekeringsarts in zijn rapport van 19 augustus 2015 juist zijn beschreven, en dat Lok slechts van mening verschilt over de vertaling daarvan in de FML. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep houden de in het rapport van 19 augustus 2015 beschreven beperkingen geen beperking in ten opzichte van de normbelasting (normaalwaarde), zoals die in het CBBS wordt gehanteerd. Over de vereiste afwisseling in zitten, staan en lopen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat dit zeker mogelijk is nu zitten, staan en lopen in de FML beperkt zijn toegestaan.
4.3.
Ook met deze nadere toelichting door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de door de rechtbank geconstateerde discrepanties niet voldoende verklaard. In het midden kan en zal worden gelaten of wat door de verzekeringsarts in zijn rapport van 19 augustus 2015 is opgemerkt noodzaakt tot het opnemen in de FML van alle (aanvullende) beperkingen, zoals die door Lok in haar rapport van 3 november 2015 worden benoemd. Volstaan wordt met het volgende.
4.4.
In het rapport van 19 augustus 2015 wordt werkneemster door de verzekeringsarts aangewezen geacht op werk waarin zitten, staan en lopen afwisselend en niet al te langdurig aaneengesloten plaatsvindt. Lok kan gevolgd worden in haar standpunt dat deze afwisseling in de FML niet tot uitdrukking komt, nu de werkneemster daarin voor de aspecten ‘zitten tijdens het werk’, ‘staan’, ‘staan tijdens het werk’, ‘lopen’ en ‘lopen tijdens het werk’ licht beperkt is geacht en het aspect ‘zitten’ – anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt – in het geheel niet is beperkt.
4.5.
De geselecteerde functie van magazijnmedewerker (SBC-code 315020) is gelet op de functiebeschrijving een overwegend zittende functie waarin dagelijks tijdens acht werkuren
60 minuten achtereen gezeten dient te worden (weeg- en registratiewerk), slechts kortdurend onderbroken door staan of lopen. De functiebeschrijving biedt ook voor het overige geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in die functie voldoende mogelijkheden bestaan om het zitten (substantieel) af te wisselen met lopen of staan. Die functie moet daarom voor werkneemster ongeschikt worden geacht. Hierdoor resteren onvoldoende functies om de EZWb te kunnen dragen.
4.6.
Gelet op 4.3 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep van de werkneemster. Het incidenteel hoger beroep van [Stichting] slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal met verbetering van gronden worden bevestigd, met dien verstande dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad. De Raad ziet aanleiding te bepalen dat tegen deze nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5. Nu het hoger beroep van werkneemster slaagt, is er aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van werkneemster in hoger beroep. Deze worden begroot op € 512,-. Voor een vergoeding van de proceskosten van [Stichting] bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is bepaald dat het Uwv een nieuwe
beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts beroep bij de Raad kan
worden ingesteld;
- bepaalt dat het Uwv het door de werkneemster in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 126,- vergoedt;
- bepaalt dat van het Uwv griffierecht van € 508,- wordt geheven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van werkneemster tot een bedrag van € 512,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019.
(getekend) E.W. Akkerman
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS