Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3242

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2019
Publicatiedatum
11 oktober 2019
Zaaknummer
18/70 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 PWArt. 16 PWArt. 22g SrArt. 15 GrondwetArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens vervangende hechtenis zonder zeer dringende redenen

Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en zat van 10 december 2016 tot en met 11 januari 2017 in vervangende hechtenis. Het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard trok de bijstand over deze periode in en vorderde de kosten terug, omdat volgens artikel 13 van Pro de Participatiewet geen recht op bijstand bestaat tijdens detentie.

De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de vervangende hechtenis achteraf onterecht was en dat er sprake was van zeer dringende redenen die bijstand rechtvaardigen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat ook vervangende hechtenis onder de uitsluitingsgrond valt en dat het feit dat de detentie achteraf onjuist was, geen recht op bijstand geeft.

Verder stelde de Raad dat zeer dringende redenen alleen bestaan bij een acute noodsituatie van levensbedreigende aard of blijvend ernstig letsel, wat appellant niet aannemelijk maakte. Ook het niet kunnen betalen van woonlasten of onverzorgde katten kwalificeert niet als zodanig. De Raad verwierp ook de stelling dat intrekking en terugvordering een dubbele straf oplevert en wees het beroep op draagkracht af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand tijdens vervangende hechtenis worden bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.

Uitspraak

18 70 PW, 18/71 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2017, 17/2524 en 17/2525 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college)
Datum uitspraak: 8 oktober 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Berger.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellant heeft van 10 december 2016 tot en met 11 januari 2017 in vervangende hechtenis gezeten. Bij besluit van 26 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 april 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant daarom over de periode 10 december 2016 tot en met 11 januari 2017 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW geen recht op bijstand bestaat gedurende detentie.
1.3.
Bij afzonderlijk besluit van 6 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 april 2017 (bestreden besluit 2), heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 10 december 2016 tot en met 11 januari 2017 tot een bedrag van € 658,77 van appellant teruggevorderd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De periode in geding is de periode van 10 december 2016 tot en met 11 januari 2017.
4.2.
Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW heeft degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht op bijstand.
4.3.
Anders dan appellant stelt, valt ook vervangende hechtenis onder artikel 13, aanhef en onder a, van de PW. Vergelijk de uitspraak van 5 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2294. De vervangende hechtenis betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Dat deze vrijheidsstraf voor appellant in de plaats is gekomen van een taakstraf doet er niet aan af dat appellant rechtens - want op grond van een beslissing van de officier van justitie als bedoeld in artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht - zijn vrijheid is ontnomen en hechtenis heeft ondergaan in een instelling onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het betoog van appellant dat de vervangende hechtenis achteraf bezien ten onrechte is geweest, maakt niet dat appellant niet onder de werkingssfeer van de uitsluitingsgrond valt. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7395) bestaat ook geen recht op bijstand als de detentie achteraf bezien ten onrechte is geweest.
4.4.
Nu appellant is uitgesloten van bijstand kan, in afwijking van artikel 13 van Pro de PW, alleen tot bijstand worden overgegaan indien zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW daartoe noodzaken. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in dit artikel dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie is pas aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.
4.5.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een noodsituatie in de hiervoor bedoelde zin. Het feit dat appellant achteraf bezien ten onrechte in vervangende hechtenis heeft gezeten, levert geen zeer dringende redenen op als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, net zo min als het feit dat appellant zijn woonlasten niet kon doorbetalen of dat zijn katten onverzorgd achterbleven. Ook voert het college geen buitenwettelijk begunstigend beleid dat tot een ander oordeel zou moeten leiden. De gronden die daarop zien behoeven daarom geen bespreking.
4.6.
Appellant heeft voorts betoogd dat sprake is van strijd met artikel 15 van Pro de Grondwet en met artikel 5, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe de intrekking en de terugvordering van bijstand ertoe kan leiden dat sprake is van strijd met deze bepalingen.
4.7.
De besluiten tot intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten van bijstand leiden er niet toe dat appellant dubbel wordt gestraft, ook al zegt hij dat zo te ervaren. Deze besluiten zijn niet gericht op bestraffing maar op herstel van de uit oogpunt van bijstandsverlening rechtmatige toestand.
4.8.
Appellant doet ten slotte een beroep op het feit dat in januari 2017 geen rekening is gehouden met zijn draagkracht omdat op zijn uitkering in die maand een bedrag van € 350,- is ingehouden. Anders dan waarvan appellant lijkt uit te gaan, houdt het feit dat hij in de maand januari 2017 minder bijstand ontving geen verband met een invordering. Appellant had tot en met 11 januari 2017 in verband met zijn detentie geen recht op bijstand. Om die reden ontving hij over de maand januari 2017 minder bijstand dan voorheen. Aan het beroep op draagkracht wordt om die reden niet toegekomen. Dat is niet aan de orde.
4.9.
Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2019.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) L.R. Daman

NW