Uitspraak
18.5131 WW
19 september 2018, 18/271 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als organist/dirigent en kreeg vanaf 1 juli 2015 een WW-uitkering toegekend. Vanaf 10 juli 2016 verrichtte hij werkzaamheden bij een andere werkgever. In juni en juli 2017 verdiende hij meer dan 87,5% van zijn maandloon, waarop het UWV besloot de WW-uitkering per 1 juni 2017 te beëindigen.
Appellant voerde aan dat het werk niet passend was en dat het UWV hem geen passende arbeid had aangeboden, maar dit werd door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep verworpen. De Raad oordeelde dat het inkomen boven de 87,5% grens leidde tot het einde van de WW-uitkering, ongeacht de aard van het werk.
Het verzoek tot vergoeding van schade werd afgewezen en er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het eerdere oordeel van de rechtbank.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellant is terecht per 1 juni 2017 beëindigd vanwege inkomen boven 87,5% van het maandloon.