Uitspraak
17.8289 PW, 19/546 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 januari 2018 ongegrond;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen vanaf 2006 een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) van de Sociale Verzekeringsbank (Svb). In het kader van een gefaseerd vermogensonderzoek stuurde de Svb in 2015 een formulier toe, waarop appellanten verklaarden geen onroerend goed buiten Nederland te bezitten. Later bleek uit onderzoek in Turkije dat appellanten wel over onroerende zaken beschikten, wat niet was gemeld.
De Svb beëindigde de AIO-aanvulling en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug. Appellanten maakten bezwaar en voerden onder meer aan dat het vermogensonderzoek discriminatoir was en dat het huisbezoek onrechtmatig was, waardoor de verkregen gegevens niet gebruikt mochten worden. De Raad verwierp deze bezwaren, oordeelde dat het onderzoek gefaseerd en niet discriminerend was en dat de gegevens niet uit verboden bronnen waren verkregen.
Ook werd geoordeeld dat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden door het bezit van onroerend goed niet te melden, ongeacht hun verwijtbaarheid. De bezwaren tegen de terugvordering wegens hoge leeftijd en gezondheid werden niet gegrond verklaard. Het beroep tegen het invorderingsbesluit werd afgewezen, ondanks een motiveringsgebrek, omdat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de verkoop van het onroerend goed niet had plaatsgevonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde de Svb in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling wordt ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit bevestigd.