ECLI:NL:CRVB:2019:3343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante was sinds 2010 arbeidsongeschikt wegens lichamelijke klachten en ontving een WIA-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering in 2015 na een nieuw medisch onderzoek en herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid, waarbij werd vastgesteld dat zij geschikt was voor licht fysiek werk met een arbeidsongeschiktheidspercentage van ongeveer 26%.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat haar chronische lichamelijke en psychische klachten haar volledig arbeidsongeschikt maakten en dat een borstkanker mogelijk al op de datum van het onderzoek aanwezig was. De rechtbank oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was om de beperkingen te verhogen of de geschiktheid voor de geselecteerde functies in twijfel te trekken.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelde vast dat de medische rapporten zorgvuldig waren opgesteld, dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de borstkanker pas na de datum in geding was geconstateerd. De Raad vond geen onderbouwd medisch bewijs dat aanleiding gaf tot twijfel aan de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellante terecht is beëindigd.