Betrokkene ontving een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto op grond van de Wmo 2015. Het college beëindigde deze tegemoetkoming per 1 januari 2016, omdat volgens een medisch advies betrokkene gebruik kan maken van collectief vervoer. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en gaf het college opdracht een nieuwe beslissing te nemen.
De rechtbank oordeelde dat het college het verzoek van betrokkene om voortzetting van de financiële tegemoetkoming had moeten aanmerken als een verzoek om een persoonsgebonden budget (pgb). Het college weigerde dit echter met het argument dat het beleid geen pgb verstrekt als collectief vervoer mogelijk is, wat volgens de rechtbank de keuzevrijheid van betrokkene miskent.
In hoger beroep onderschrijft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank dat het medisch advies zorgvuldig is en dat betrokkene collectief vervoer kan gebruiken. Ook bevestigt de Raad dat het college ten onrechte het verzoek om een pgb heeft geweigerd en dat het beleid hiermee niet in overeenstemming is met artikel 2.3.6 van de Wmo 2015.
De Raad bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, waarbij het moet toetsen aan de voorwaarden en weigeringsgronden van artikel 2.3.6 Wmo 2015. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en wordt bepaald dat beroep tegen de nieuwe beslissing alleen bij de Raad kan worden ingesteld.