ECLI:NL:CRVB:2019:342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.W. van Straalen
- M. Hillen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens onduidelijkheid over woon- en financiële situatie
Appellant ontving sinds 2009 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding over frequente reizen naar het buitenland startte de gemeente Zoetermeer een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit onderzoek omvatte dossieronderzoek, huisbezoeken, gesprekken en het opvragen van informatie bij derden.
Het college trok de bijstand vanaf maart 2015 in en besloot later de bijstand over de periode 2009-2015 terug te vorderen wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat appellant geen melding had gemaakt van aanzienlijke stortingen op zijn bankrekening, gokactiviteiten en buitenlandse reizen zonder financieringsverklaring.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college onvoldoende bewijs had dat appellant zijn woonplaats buiten Zoetermeer had, maar wel terecht aannam dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn financiële situatie. De stortingen en geldopnames, waaronder in het casino, en de onverklaarde buitenlandse reizen rechtvaardigen het vermoeden dat appellant over meer middelen beschikte. Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens onvoldoende duidelijkheid over woon- en financiële situatie.