ECLI:NL:CRVB:2019:3438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging Wajong-uitkering bij hbo-opleiding met studiefinancieringsaanspraak
Appellant ontving vanaf 17 juli 2014 inkomensondersteuning tijdens studie op grond van de Wajong, ter hoogte van 25% van het wettelijk minimumjeugdloon. Na aanvang van een hbo-opleiding per 1 september 2015 verzocht appellant om verhoging van de uitkering omdat hij geen studiefinanciering meer ontving. Het UWV weigerde dit, stellende dat appellant aanspraak had op studiefinanciering in de vorm van een lening volgens de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de wetgever de relevante artikelen van de Wajong niet had gewijzigd en de aanspraak op studiefinanciering bepalend is, niet het feitelijk ontvangen ervan. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een lening geen inkomen is en dat hij vanwege beperkte arbeidscapaciteiten niet in staat is inkomsten te genereren, maar de Raad verwierp dit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wajong correct heeft toegepast en dat het bestaan van een aanspraak op studiefinanciering bepalend is voor de hoogte van de inkomensondersteuning. Het beroep van appellant wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van verhoging van de Wajong-uitkering omdat appellant aanspraak heeft op studiefinanciering volgens de Wsf 2000.