Appellant vroeg op 13 oktober 2010 een Wajong-uitkering aan, die aanvankelijk werd afgewezen. Na diverse procedures en besluiten kende het Uwv de uitkering toe met ingang van 2 februari 2011, gebaseerd op de vaststelling dat volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid toen nog niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de uitkering met terugwerkende kracht tot de datum van de eerste aanvraag moest ingaan en dat het Uwv dwangsommen had verbeurd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de bezwaren van appellant voldoende had gemotiveerd, maar stelde vast dat er onduidelijkheid bestond over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid op de datum van aanvraag.
Op basis van een verzekeringsartsrapport concludeerde de Raad dat appellant op 13 oktober 2010 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering vanaf die datum moest worden toegekend. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor zover zij de ingangsdatum betroffen en stelde zelf de ingangsdatum vast op 13 oktober 2010. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant.