ECLI:NL:CRVB:2019:3447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag opvang op grond van Wmo 2015 bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellanten, moeder en dochter, hebben na terugkeer uit het Verenigd Koninkrijk opvang aangevraagd bij de gemeente Rotterdam op grond van de Wmo 2015. Het college wees dit verzoek af omdat appellante 1 geacht wordt zich op eigen kracht te kunnen handhaven. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat appellante 1 met een uitkering en eerdere zelfregie over onderdak in staat is om voor zichzelf en haar dochter huisvesting te regelen. Het feit dat zij nog geen woonruimte heeft gevonden, wijst op schaarste op de woningmarkt en is geen grond voor opvang op grond van de Wmo 2015. De Raad verwierp ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro, waarbij werd geoordeeld dat er geen positieve verplichting tot opvang bestaat en dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind.
De Raad concludeert dat het college een juiste afweging heeft gemaakt tussen publieke belangen en de belangen van appellanten, waarbij ook de beperkte opvangcapaciteit een rol speelt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor opvang op grond van de Wmo 2015.