ECLI:NL:CRVB:2019:3480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid uitzelfde ziekteoorzaak
Appellante, die sinds 2012 arbeidsongeschikt is wegens reumatoïde artritis, verzocht om een WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per 13 januari 2016. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de toename van beperkingen niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor de wachttijd was vervuld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad toetste het medisch onderzoek aan de criteria van het arrest Korošec en concludeerde dat het onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was, het beginsel van equality of arms niet was geschonden en dat de toegenomen beperkingen psychisch van aard zijn en niet voortkomen uit reumatoïde artritis. Appellante voerde aan dat zij een onafhankelijke deskundige wilde, maar dit werd afgewezen wegens het ontbreken van concrete gronden.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de fysieke beperkingen niet zijn toegenomen en dat de psychische klachten een andere ziekteoorzaak betreffen. Daarmee is niet voldaan aan artikel 55 van Pro de Wet WIA voor het ontstaan van een nieuw recht op uitkering. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering bevestigd.