Uitspraak
18.5867 ZVW, 18/5868 ZVW
CAK
OVERWEGINGEN
artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 1 van Pro Bijlage 2 bij de Awb (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak) niet-ontvankelijk verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werd door het CAK aangemaand om binnen drie maanden een zorgverzekering af te sluiten. Bij besluit van 12 december 2017 legde het CAK een boete van €382,50 op wegens het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering. Deze boete werd op 13 februari 2018 ingetrokken. Appellant maakte bezwaar tegen zowel de aanmaning als de boete, maar het CAK verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat hij geen contract met het CAK had, twijfelde aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en stelde dat de rechtbank de rechtsvraag niet inhoudelijk had behandeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de procedure eerlijk en openbaar was verlopen, dat appellant zijn standpunten naar voren had kunnen brengen, en dat er geen gegronde redenen waren om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.
De Raad benadrukte dat het intrekken van de boete het belang van appellant bij het bezwaar had weggenomen, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. De voorgestane visie van appellant op het rechtsstelsel en maatschappij kon aan dit oordeel niets afdoen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar na intrekking van de boete.