Uitspraak
18.203 PW
5 december 2017, 17/2408 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 1 mei 2015, maar diende de aanvraag pas op 26 mei 2016 in. Het college wees de aanvraag af omdat appellant over voldoende middelen beschikte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij bijzondere omstandigheden had die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen en dat de ontvangen bedragen leningen waren die niet als inkomen moeten worden aangemerkt.
De Raad overwoog dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij eerder een aanvraag had ingediend of zich op of omstreeks 1 mei 2015 had gemeld. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de ontvangen bedragen leningen waren; de verklaringen van familie waren te algemeen en er waren geen concrete afspraken over terugbetaling.
Daarom moesten de ontvangen bedragen als inkomen worden beschouwd, waardoor appellant vanaf mei 2016 tot augustus 2016 geen recht op bijstand had. Het verzoek tot vergoeding van kosten en schade werd eveneens afgewezen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht wordt bevestigd.