ECLI:NL:CRVB:2019:3601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd arbeidsongeschiktheid
Appellante was van 2001 tot 2011 werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie en heeft na beëindiging van haar dienstverband diverse uitkeringen ontvangen, waaronder op grond van de Werkloosheidswet en de Wet werk en bijstand. Zij heeft tussen 2013 en 2016 meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid, maar deze aanvragen werden afgewezen omdat zij niet verzekerd was voor de WIA.
In 2016 verzocht appellante opnieuw om een WIA-uitkering met als grondslag dat zij sinds 21 februari 2006 arbeidsongeschikt zou zijn. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellante niet onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt was geweest in de periode van 2006 tot 1 juli 2012, de vereiste wachttijd voor een WIA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond vanwege onvoldoende bewijs voor onafgebroken arbeidsongeschiktheid gedurende de wachttijd. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden aangevoerd en aanvullende medische stukken ingediend, maar het UWV handhaafde haar standpunt met een bevestigend rapport van een verzekeringsarts.
De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de wachttijd niet is vervuld, mede omdat medicijngebruik op zich geen bewijs is voor arbeidsongeschiktheid en de ingediende salarisstroken geen andere conclusie rechtvaardigen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en appellante krijgt geen WIA-uitkering toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.