ECLI:NL:CRVB:2019:3629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WW-dagloon ondanks flexwerkperiodes zonder loon
Appellant was werkzaam via verschillende werkgevers en ontving gedurende de referteperiode steeds loon, hoewel er periodes met weinig gewerkte dagen waren. Na afloop van zijn Ziektewet-uitkering vroeg appellant een WW-uitkering aan. Het UWV stelde het dagloon vast op € 65,11 door het sv-loon te delen door 261 dagen, conform artikel 5 van Pro het Dagloonbesluit 2016.
Appellant maakte bezwaar tegen deze berekening, stellende dat de methode nadelig was vanwege de flexibele arbeidsverhoudingen en dat dit afbreuk deed aan de inkomensbescherming die de WW beoogt. Hij verwees onder meer naar eerdere uitspraken van de Raad die een andere berekeningswijze toestonden bij perioden zonder loon.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat omdat appellant gedurende de gehele referteperiode loon heeft ontvangen, de uitzondering in artikel 5, zesde lid, niet van toepassing is. De Raad onderschreef dat de gebruikte berekeningswijze rechtvaardig is en geen inbreuk maakt op de verzekeringsgedachte van de WW. Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van het WW-dagloon door het UWV en wijst het verzoek om wettelijke rente af.