Uitspraak
18.3113 AW
26 april 2018, 17/1197 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en werd ontslagen wegens langdurige ongeoorloofde afwezigheid van ruim 700 uur binnen een jaar. Na een feitenonderzoek en een disciplinair onderzoek concludeerde de minister dat sprake was van ernstig plichtsverzuim.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van een angstcultuur en dat hij zich vanwege psychische klachten niet ziek durfde te melden. De Raad oordeelde echter dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd waren en dat het plichtsverzuim aan appellant kon worden toegerekend.
De Raad onderschreef de eerdere overwegingen van de rechtbank dat het ontslag een passende en evenredige sanctie is gezien de ernst van het plichtsverzuim. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim bevestigd.