Uitspraak
17.6473 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van E. Diele als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als postbezorger, meldde zich in juli 2014 ziek met psychische en fysieke klachten. Een eerdere aanvraag voor een WIA-uitkering met verkorte wachttijd werd afgewezen en deze beslissing bleef in stand bij de rechtbank. In april 2016 diende appellant een nieuwe aanvraag in, die eveneens werd geweigerd op grond van een medische en arbeidskundige beoordeling dat hij geschikt was voor zijn eigen werk.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn angststoornis en agorafobie hem verhinderen zijn werk te verrichten en dat de arbeidsdeskundige onvoldoende onderzoek had gedaan. Ook wees hij op een WSW-indicatie die niet was meegenomen. Het Uwv stelde dat de eerdere uitspraak van de rechtbank vaststaat en dat de medische beoordeling in deze procedure niet opnieuw aan de orde is.
De Raad oordeelde dat de medische situatie per einde wachttijd (13 juli 2016) opnieuw beoordeeld moest worden. De verzekeringsartsen hadden voldoende informatie en motiveerden de beperkingen adequaat. De bedrijfsarts had geen onderbouwde verklaring voor volledige arbeidsongeschiktheid gegeven. De arbeidsdeskundige had een zorgvuldige en gemotiveerde rapportage opgesteld, inclusief overleg met de werkgever. De WSW-indicatie was meegenomen in de beoordeling.
De Raad concludeerde dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.