ECLI:NL:CRVB:2019:3855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens ontbreken migrerend werknemerschap
Appellant, een Unieburger met de Griekse nationaliteit, ontving studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 vanaf november 2012. De minister herzag deze toekenning voor de periode november 2012 tot en met januari 2013 naar nihil omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor migrerend werknemerschap.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ten minste 32 uur per maand feitelijk arbeid verrichtte bij een werkgever. Het zich beschikbaar houden voor arbeid werd niet als voldoende bewijs geaccepteerd.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bevestigd. De Raad overwoog dat appellant geen objectieve bewijsmiddelen had geleverd om zijn werkzaamheden te onderbouwen en dat de minister terecht de studiefinanciering mocht herzien. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de studiefinanciering bevestigd.