ECLI:NL:CRVB:2019:3859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op studiefinanciering voor Unieburger zonder vijf jaar verblijfsvoorwaarde
Appellante, een Bulgaarse Unieburger, had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister herzag deze toekenning voor de periodes maart tot en met juli 2012 en oktober 2012 tot en met januari 2013 omdat appellante niet voldeed aan de vereiste verblijfsvoorwaarde van vijf jaar en niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk arbeid had verricht bij het bedrijf waarvoor zij werkte, en dat het zich slechts beschikbaar houden voor arbeid niet volstond. Daarnaast was er geen bewijs van een reële arbeidsconstructie onder gezag van een werkgever met beloning voor gewerkte uren.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De door appellante overgelegde verklaringen en bewijsstukken waren ontoereikend om haar status als migrerend werknemer aan te tonen. De Raad bevestigde dat de minister de studiefinanciering terecht had herzien en dat appellante geen recht had op de studiefinanciering, reisvoorziening, of vergoeding voor boeken en leermiddelen over de betreffende periodes.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 december 2019 en bevestigt het oordeel van de rechtbank Den Haag van 27 december 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd; appellante heeft geen recht op studiefinanciering over de betreffende periodes.