ECLI:NL:CRVB:2019:3861
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens ontbreken migrerend werknemerschap
Appellante, een Unieburger met Slowaakse nationaliteit, had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister herzag deze toekenning over de periode februari 2012 tot en met juni 2013, omdat appellante niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende bewijs leverde dat zij daadwerkelijk arbeid had verricht bij het bedrijf, en het zich slechts beschikbaar houden voor werk niet volstond. Ook was er geen aannemelijke reële arbeidsovereenkomst met gezag en beloning.
In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel en wijst erop dat appellante geen objectief bewijs heeft geleverd van haar werkzaamheden. De Raad sluit aan bij eerdere jurisprudentie en oordeelt dat de minister terecht de studiefinanciering heeft herzien. Het hoger beroep wordt afgewezen zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de studiefinanciering wordt herzien wegens het ontbreken van migrerend werknemerschap.