ECLI:NL:CRVB:2019:3862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op studiefinanciering wegens onvoldoende bewijs migrerend werknemerschap
Appellant, een Unieburger met de Litouwse nationaliteit, had studiefinanciering ontvangen over de periode maart tot en met december 2012. De minister herzag deze toekenning omdat appellant niet voldeed aan de verblijfsvoorwaarde van vijf jaar en niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij onvoldoende bewijs leverde dat hij daadwerkelijk arbeid verrichtte bij het betrokken bedrijf. Het zich beschikbaar houden voor werk werd niet als voldoende beschouwd. Ook de door appellant overgelegde verklaringen en bewijsstukken met betrekking tot werkzaamheden buiten de relevante periode werden niet meegewogen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling en oordeelde dat de minister terecht de studiefinanciering had herzien. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op studiefinanciering wordt volledig herzien wegens onvoldoende bewijs van migrerend werknemerschap.