ECLI:NL:CRVB:2019:3864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op studiefinanciering voor Unieburger zonder vijf jaar verblijfsvoorwaarde
Appellant, een Duitse Unieburger, had studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De minister herzag de toekenning over de periode april 2012 tot en met januari 2013 en stelde deze op nihil omdat appellant niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij niet had aangetoond dat hij feitelijk arbeid verrichtte bij het betreffende bedrijf, en het zich alleen beschikbaar houden voor werk niet volstond. Appellant kon ook niet aannemelijk maken dat er sprake was van een reële arbeidsovereenkomst met beloning.
In hoger beroep bevestigt de Raad deze conclusie. Er is onvoldoende objectief bewijs dat appellant daadwerkelijk betaalde werkzaamheden heeft verricht. De minister mocht de studiefinanciering herzien omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; geen recht op studiefinanciering wegens ontbreken migrerend werknemerschap.