ECLI:NL:CRVB:2019:3867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening studiefinanciering migrerende werknemer voor september en oktober 2012 onterecht
Appellante, een Litouwse Unieburger, kreeg studiefinanciering toegekend op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De minister herzag deze toekenning over maart tot en met november 2012, omdat appellante niet voldeed aan de verblijfsvoorwaarde en niet als migrerend werknemer werd beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij onvoldoende bewijs leverde van feitelijke arbeid van minimaal 32 uur per maand. In hoger beroep stelde appellante dat zij in september en oktober 2012 voldoende uren had gewerkt, onderbouwd met loonstroken, e-mailcorrespondentie en notificaties van bijlessen.
De Raad oordeelt dat appellante voor september en oktober 2012 met de overgelegde stukken voldoende economische activiteit heeft aangetoond om als migrerend werknemer te worden beschouwd. Voor de overige maanden is dat niet het geval. Daarom wordt het bestreden besluit en de uitspraak vernietigd voor september en oktober 2012 en herroepen, terwijl de rest wordt bevestigd.
De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit en uitspraak worden vernietigd voor september en oktober 2012 wegens voldoende economische activiteit, voor overige maanden bevestigd.