ECLI:NL:CRVB:2019:3877

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2019
Publicatiedatum
4 december 2019
Zaaknummer
18/2602 WLZ-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 WlzArt. 3.2.2 WlzArt. 11.1.3 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag zorg op grond van de Wet langdurige zorg wegens ontbreken verstandelijke handicap

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke bij besluit van 17 maart 2016 en het daaropvolgende besluit van 8 augustus 2016 is afgewezen. De rechtbank Rotterdam heeft dit besluit op 30 april 2018 bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bekrachtigd. De Raad overwoog dat artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz geen recht geeft op Wlz-zorg indien de noodzaak van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid voortvloeit uit een psychiatrische grondslag. Ook bij combinatie met andere grondslagen zoals een somatische aandoening of een verstandelijke handicap moet worden beoordeeld of alleen deze andere grondslagen leiden tot de noodzaak van zorg.

De Raad stelde vast dat er geen gericht onderzoek is waaruit een verstandelijke handicap blijkt. De door appellant overgelegde brief van de huisarts volstaat niet. De somatische beperkingen zijn door de medisch adviseur van het CIZ beoordeeld en leiden niet tot de noodzakelijke zorg. Appellant kon deze conclusie niet overtuigend betwisten. Verder werd het beroep op overgangsrecht en artikel 3.2.2 Wlz verworpen omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan. Het hoger beroep werd daarom afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag voor Wlz-zorg wordt bevestigd.

Uitspraak

18.2602 WLZ-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2018, 16/5390 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

Datum uitspraak: 25 november 2019
Zitting hebben: L.M. Tobé als voorzitter en R.M. van Male en W.J.A.M. van Brussel
als leden
Griffier: M. Graveland
Namens appellant is zijn wettelijk vertegenwoordiger en moeder [naam moeder appellant] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 17 maart 2016, gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2016 (bestreden besluit), is de aanvraag van appellant om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz geeft geen recht op Wlz-zorg indien de noodzaak van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid voortvloeit uit een psychiatrische grondslag. Ook indien sprake is van een psychiatrische grondslag in combinatie met andere wel in artikel 3.2.1 van de Wlz genoemde grondslagen, zoals een somatische grondslag en/of een verstandelijke handicap, moet worden beoordeeld of alleen deze andere grondslagen leiden tot permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De Raad verwijst hiertoe naar zijn uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:334.
Ten aanzien van de gestelde verstandelijke handicap geldt dat uit de stukken geen gericht onderzoek blijkt waaruit dit naar voren komt. De brief van de huisarts van 22 december 2017 is dat niet. Ten aanzien van de somatische beperkingen geldt dat de medisch adviseur van CIZ deze heeft betrokken in zijn beoordeling en vanuit zijn deskundigheid heeft geoordeeld dat deze niet leiden tot de noodzaak van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt niet dat aan deze conclusie moet worden getwijfeld.
Voor zover appellant heeft bedoeld aan te voeren dat zijn psychiatrische beperkingen op grond van het overgangsrecht opgenomen in artikel 11.1.3 van de Wlz, of op grond van artikel 3.2.2 van de Wlz recht geven op Wlz-zorg volgt de Raad appellant niet, nu aan de toepassingsvoorwaarden van die bepalingen niet is voldaan.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) M. Graveland (getekend) L.M. Tobé