Uitspraak
15.5325 WIA
23 juni 2015, 14/5197 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 16.064,76;
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk pedagogisch medewerker, meldde zich ziek op 22 december 2011 en vroeg op 24 september 2013 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit van 14 november 2013 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Tevens werd vastgesteld dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en tegen het niet opleggen van een loonsanctie aan haar werkgever.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af omdat appellante haar schade niet voldoende had beperkt. In hoger beroep wijzigde het UWV zijn standpunt en erkende een schadevergoeding van €1.338,73 per maand over 12 maanden. De Raad oordeelde dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld door geen loonsanctie op te leggen, waardoor appellante schade leed. De Raad verwierp het verwijt aan appellante dat zij haar schade niet had beperkt door geen WW-uitkering aan te vragen.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het vonnis van de rechtbank, stelde de schadevergoeding vast op €16.064,76 en veroordeelde het UWV tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten van appellante. Het oordeel is gebaseerd op het feit dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat appellante niet verwijtbaar heeft gehandeld in het kader van haar WW-aanvraag.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €16.064,76 aan appellante wegens het onrechtmatig niet opleggen van een loonsanctie.