Appellante meldde zich op 30 oktober 2008 ziek en kreeg op 1 december 2010 een WGA-vervolguitkering toegekend. Zij stelde dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie aan haar werkgever oplegde en vorderde schadevergoeding voor de daardoor ontstane loonschade. Het UWV weigerde deze schadevergoeding omdat de ontvangen WGA-uitkering hoger was dan 70% van het loon dat zij bij loonsanctie had ontvangen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat toekomstige schade niet vergoed wordt. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en stelde dat de rentevergoeding onjuist was berekend. De Raad oordeelde dat het UWV bevoegd is om over de schade te oordelen en dat de gehanteerde beleidslijn omtrent loonsanctieduur en schadevergoeding binnen redelijke wetsuitleg valt.
De Raad stelde vast dat appellante geen loonschade leed tot 28 juli 2012 en bevestigde de weigering van schadevergoeding. Wel werd geoordeeld dat het UWV de wettelijke rente onjuist berekende omdat de betaaltermijn niet correct was toegepast. De Raad vernietigde het besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de correcte wettelijke rente en proceskosten.