Uitspraak
19.1247 AWBZ, 19/1251 AWBZ
1 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep tegen besluiten van Salland Zorgkantoor B.V. waarin de persoonsgebonden budgetten (pgb) van betrokkene en appellante over de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 augustus 2014 op nihil werden vastgesteld. Dit vanwege het ontbreken van verantwoordingsformulieren en andere bewijsstukken waaruit blijkt dat zorg daadwerkelijk is verleend en betaald.
Betrokkene en appellante voerden aan dat het zorgkantoor hen in een onmogelijke positie bracht door voorschotbetalingen op te schorten, waardoor zij hun zorgverleners niet konden betalen en geen facturen konden verkrijgen. De Raad oordeelde echter dat dit niet tot een ander oordeel leidt, aangezien er een totaal gebrek aan administratie van de verleende zorg was.
De Raad bevestigde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen op grond van het niet voldoen aan de verplichtingen uit de Regeling subsidies AWBZ en de Algemene wet bestuursrecht. De bewijslast rust op betrokkene en appellante om aannemelijk te maken dat de zorg is verleend en betaald, hetgeen niet is gebeurd.
Daarom is de wijze van vaststelling van het pgb niet onredelijk en zijn de beroepen ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de lagere vaststelling van het pgb worden ongegrond verklaard wegens ontbreken van aannemelijke verantwoording van de geleverde zorg.