ECLI:NL:CRVB:2019:3988
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens onrechtmatige WW-uitkering na verblijf in buitenland
Appellante ontving een WW-uitkering, die werd ingetrokken omdat zij gedurende 24 weken in de periode van 2 maart 2015 tot en met 21 februari 2016 in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie, zonder dit te melden aan het UWV. Het UWV legde een boete op van €5.110 wegens het schenden van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de intrekking van de uitkering en de boete. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er verzachtende omstandigheden waren, zoals de verzorging van een zieke familielid en het ontbreken van opzet, en dat de boete te hoog was.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel over de intrekking en terugvordering van de uitkering en bevestigt dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Wel oordeelt de Raad dat de boete niet correct is vastgesteld conform het Besluit socialezekerheidswetten en de Awb, en verlaagt deze tot €5.109,15. De Raad veroordeelt het UWV tevens in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €5.109,15 en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.