ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van WW-, ZW- en WIA-uitkeringen wegens identiteitsfraude
Appellant heeft zich onder een valse naam ingeschreven en op basis daarvan diverse uitkeringen ontvangen. Het UWV ontdekte identiteitsfraude en trok de WW-, ZW- en WIA-uitkeringen in, gevolgd door terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant geen recht had op de uitkeringen omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef en de inlichtingenplicht had geschonden. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit van mei 2011, maar handhaafde het besluit van augustus 2012 waarin de terugvordering van de WW-uitkering over een eerdere periode werd verminderd. De Raad oordeelde dat appellant geen aanspraak kon maken op de uitkeringen omdat hij niet verzekerd was en dat er geen dringende redenen waren om af te zien van terugvordering. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2012 wordt ongegrond verklaard, met gedeeltelijke vermindering van de terugvordering en veroordeling van het UWV in de proceskosten.