ECLI:NL:CRVB:2019:3989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens niet melden werkzaamheden en verblijf buitenland bij UWV
Appellant ontving vanaf 2 september 2013 een WW-uitkering. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant als uitbater in een horecagelegenheid in Frankrijk werkte, startte het UWV een onderzoek. Uit het onderzoek bleek dat appellant vanaf maart 2015 werkzaamheden verrichtte in het hotel van zijn broer in Frankrijk en daar verbleef zonder dit te melden.
Het UWV trok de WW-uitkering per 9 maart 2015 in en vorderde €35.866,05 terug wegens onverschuldigde betalingen. Tevens legde het UWV een boete van €8.100 op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant zijn werknemerstatus had verloren en de boete terecht was opgelegd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij zijn zieke broer hielp en niet wist van de meldingsplicht, en verzocht om verlaging of intrekking van de boete. Het UWV stelde een lagere boete van €5.400 voor. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank over intrekking en terugvordering, maar stelde vast dat de boete niet in overeenstemming was met de wettelijke maxima en matigde deze tot €5.400.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar had gehandeld door niet te melden, maar dat de boete proportioneel moest zijn. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover de boete werd gehandhaafd op €8.100. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De boete wegens niet melden van werkzaamheden en verblijf in het buitenland is gematigd tot €5.400, intrekking en terugvordering WW-uitkering blijven gehandhaafd.