ECLI:NL:CRVB:2019:3996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-, ZW- en WAZO-uitkeringen ondanks psychische klachten
Appellante ontving onterecht te hoge uitkeringen op grond van de WW, ZW en WAZO. Het UWV heeft deze uitkeringen met terugwerkende kracht herzien en de teveel betaalde bedragen teruggevorderd. De rechtbank oordeelde dat het voor appellante redelijkerwijs duidelijk was dat de uitkeringen te hoog waren en dat het UWV daarom mocht herzien en terugvorderen.
Appellante voerde aan dat medewerkers van het UWV haar hadden verzekerd van de juistheid van de uitkeringen en dat zij ernstige psychische klachten had, zoals blijkt uit een rapport van psychiater Kazemier, waardoor er dringende redenen zouden zijn om af te zien van terugvordering. De rechtbank en de Raad verwierpen deze argumenten, stellende dat er geen bindende toezeggingen van het UWV waren en dat het rapport onvoldoende aanleiding gaf om af te zien van terugvordering.
De Raad benadrukte dat het UWV op grond van de wet met terugwerkende kracht mag herzien indien het voor de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was dat de uitkering onjuist was. De sociale en financiële gevolgen van terugvordering kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot afzien van terugvordering. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigde uitkeringen door het UWV blijft in stand.