ECLI:NL:CRVB:2019:4046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit UWV over recht op ziekengeld bij andere ziekteoorzaak na werkhervatting
Werkneemster was na een periode van arbeidsongeschiktheid van 104 weken hervat in aangepast werk. Kort na deze hervatting meldde zij zich ziek door een andere ziekteoorzaak dan de eerdere. Het UWV weigerde daarop ziekengeld toe te kennen op grond van artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet (ZW), stellende dat de samentellingsregeling van toepassing was.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de ziekteoorzaak van de nieuwe uitval anders was dan die van de eerdere arbeidsongeschiktheid, waardoor de samentellingsregeling niet van toepassing is. Het UWV ging in hoger beroep tegen dit oordeel, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat bij hervatting in ander werk en een nieuwe ziekteoorzaak binnen vier weken na afloop van de 104 weken wachttijd het recht op ziekengeld niet kan worden geweigerd op grond van artikel 29, vijfde lid, ZW. Het UWV moet een nieuw besluit nemen waarin dit recht wordt erkend.
De uitspraak bevestigt vaste rechtspraak en onderstreept dat de aard van de ziekteoorzaak en de aard van het werk bij hervatting bepalend zijn voor de toepassing van de samentellingsregeling. De Raad wees het hoger beroep van het UWV af en bepaalde dat het UWV griffierecht moet betalen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.