ECLI:NL:CRVB:2019:407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens ontbreken grondslag verstandelijke handicap
Appellant diende een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke door het CIZ werd afgewezen omdat er geen sprake was van een grondslag verstandelijke handicap. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat hij wel degelijk beperkingen in zijn adaptief functioneren had rond zijn achttiende levensjaar, wat toegang tot Wlz-zorg zou rechtvaardigen. Tevens stelde hij dat het bestaan van psychische problematiek de grondslag verstandelijke handicap niet uitsluit en verwees hij naar een mogelijk syndroom van Williams.
De Raad oordeelde dat de medische adviezen zorgvuldig waren en dat de beschikbare informatie voldoende was om een duidelijk beeld te vormen van het functioneren van appellant rond zijn achttiende jaar. Uit de medische gegevens bleek dat appellant een LTS-opleiding succesvol had afgerond, zelfstandig betaalde arbeid verrichtte, een rijbewijs had en zelfstandig woonde. De door appellant overgelegde diagnostische adviesbrief en de stelling over het syndroom van Williams brachten geen ander oordeel mee.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag langdurige zorg bevestigd.