ECLI:NL:CRVB:2019:407

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 februari 2019
Publicatiedatum
11 februari 2019
Zaaknummer
17/5241 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet langdurige zorgBeleidsregels Indicatiestelling Wlz 2016
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens ontbreken grondslag verstandelijke handicap

Appellant diende een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke door het CIZ werd afgewezen omdat er geen sprake was van een grondslag verstandelijke handicap. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat hij wel degelijk beperkingen in zijn adaptief functioneren had rond zijn achttiende levensjaar, wat toegang tot Wlz-zorg zou rechtvaardigen. Tevens stelde hij dat het bestaan van psychische problematiek de grondslag verstandelijke handicap niet uitsluit en verwees hij naar een mogelijk syndroom van Williams.

De Raad oordeelde dat de medische adviezen zorgvuldig waren en dat de beschikbare informatie voldoende was om een duidelijk beeld te vormen van het functioneren van appellant rond zijn achttiende jaar. Uit de medische gegevens bleek dat appellant een LTS-opleiding succesvol had afgerond, zelfstandig betaalde arbeid verrichtte, een rijbewijs had en zelfstandig woonde. De door appellant overgelegde diagnostische adviesbrief en de stelling over het syndroom van Williams brachten geen ander oordeel mee.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag langdurige zorg bevestigd.

Uitspraak

17.5241 WLZ

Datum uitspraak: 6 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2017, 16/1858 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. Stehouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stehouwer en zijn mentor R.G.H. Rosenkamp. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood, mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en P. Pel, arts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren in 1967, heeft op 24 november 2015 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Bij besluit van 13 januari 2016 heeft CIZ de aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 7 april 2016 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 januari 2016 ongegrond verklaard. CIZ heeft zich, onder verwijzing naar het medisch advies van 30 maart 2016, op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van een grondslag die toegang geeft tot zorg op grond van de Wlz. De grondslag verstandelijke handicap kan niet worden vastgesteld. Gezien de kwetsbaarheid van appellant bestaat er een begeleidingsbehoefte, maar deze komt voort uit psychische problematiek.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat CIZ mede op grond van het medisch advies van 30 maart 2016 en het in beroep ingebrachte nader medisch advies van 29 november 2016 heeft kunnen concluderen dat bij appellant, gelet op het adaptief functioneren rond het achttiende jaar, geen sprake is van de grondslag verstandelijke handicap.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Verder heeft hij aangevoerd dat sprake is van de grondslag verstandelijke handicap, zodat hem toegang had moeten worden verleend tot de Wlz. Onder verwijzing naar zijn levenswandel heeft appellant toegelicht dat CIZ zijn adaptief functioneren rondom zijn achttiende levensjaar heeft overschat. Het bestaan van psychische problematiek sluit volgens appellant de grondslag verstandelijke handicap niet uit. Ter zitting van de Raad heeft appellant nog aangevoerd dat hij mogelijk lijdt aan het syndroom van Williams.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of bij appellant al in de periode rondom het achttiende levensjaar beperkingen in het adaptief functioneren als bedoeld in de Beleidsregels Indicatiestelling Wlz 2016 aanwezig waren, die leiden tot een grondslag verstandelijke handicap die toegang geeft tot zorg op grond van de Wlz.
4.2.
Er is geen grond voor het oordeel dat de medische adviezen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen of dat de adviezen niet concludent of anderszins onjuist zijn. De medisch adviseurs hebben de beschikbare (medische) informatie bij hun onderzoek betrokken. Op basis van deze informatie hebben zij zich een duidelijk beeld van de medische situatie van appellant rondom zijn achttiende levensjaar kunnen vormen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de medisch adviseurs appellant in persoon hadden moeten onderzoeken.
4.3.
Uit de medische adviezen komt naar voren dat appellant geen speciaal onderwijs heeft gevolgd maar een LTS-opleiding succesvol heeft afgerond, dat hij zelfstandig betaalde werkzaamheden heeft kunnen uitvoeren, dat hij een rijbewijs heeft gehaald en dat hij heeft gewoond in een zelfstandige woonsetting. Gelet hierop heeft CIZ voldoende onderbouwd dat bij appellant in de periode rondom het achttiende levensjaar geen zodanige beperkingen in het adaptief functioneren aanwezig waren dat een grondslag verstandelijke handicap kan worden gesteld. De door appellant in hoger beroep overgelegde diagnostische adviesbrief van Trajectum van 12 september 2018 leidt de Raad niet tot een ander oordeel, omdat daaruit geen duidelijk ander beeld naar voren komt over het functioneren in deze periode. De enkele stelling dat appellant mogelijk lijdt aan het syndroom van Williams leidt evenmin tot een ander oordeel.
4.4.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) W.M. Swinkels

IJ