ECLI:NL:CRVB:2019:4090
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verblijf in buitenland zonder dringende redenen
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verbleef in 2016 gedurende twee perioden in Turkije vanwege ziekte en overlijden van zijn moeder. Het college trok de bijstand vanaf 28 februari 2016 in, waarna dit besluit deels werd herzien en de intrekking beperkt tot twee specifieke perioden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er zeer dringende redenen waren zoals bedoeld in artikel 16 PW Pro.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het afscheid nemen van zijn moeder en de begrafenis als dringende redenen moesten worden aangemerkt en dat zijn emotionele situatie een acute noodsituatie vormde. Tevens stelde hij dat zijn gezondheid was verslechterd door de besluiten, waardoor vergoeding van immateriële schade op zijn plaats zou zijn.
De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe of objectieve gegevens had aangevoerd die de eerdere gemotiveerde afwijzing konden weerleggen. Er was geen sprake van zeer dringende redenen en ook geen aannemelijk geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.