ECLI:NL:CRVB:2016:71
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitsluiting recht op bijstand wegens verblijf buitenland langer dan vier weken
Appellante ontvangt sinds april 2012 bijstand op grond van de WWB. In 2014 verbleef zij langer dan de toegestane vier weken in het buitenland, waardoor het college haar bijstand over die periode heeft stopgezet. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de rechtbank werd afgewezen.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij dacht vakantiedagen te kunnen overdragen, dat zij niet was gewaarschuwd voor de gevolgen van overschrijding, dat er zeer dringende redenen waren vanwege de gezondheid van haar moeder en dat zij op het vertrouwensbeginsel kon steunen. De Raad verwierp deze gronden: de wet staat geen overdracht toe, waarschuwingen waren gegeven, er waren geen zeer dringende redenen aannemelijk gemaakt en er was geen ondubbelzinnige toezegging door het college.
De Raad concludeert dat het recht op bijstand terecht is uitgesloten en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op bijstand blijft uitgesloten wegens verblijf in het buitenland langer dan vier weken zonder zeer dringende redenen.