ECLI:NL:CRVB:2019:4092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet vanaf september 2015, met een alleenstaande ouder norm vanaf maart 2016. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in en vorderde de kosten terug nadat een onderzoek uitwees dat de vader van haar kind feitelijk in dezelfde woning woonde, wat een gezamenlijke huishouding betekent.
Appellante voerde aan dat zij en de vader niet in dezelfde woning hun hoofdverblijf hadden, omdat zij beiden een onzelfstandige woning huurden met gedeelde ruimtes, en dat het college hiervan op de hoogte was. De Raad oordeelde echter dat het delen van wezenlijke woonfuncties en een gemeenschappelijke voordeur betekent dat sprake is van één woning en dus een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, vierde lid, onderdeel b, van de Participatiewet.
De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door niet tijdig te melden dat de vader van haar kind feitelijk in dezelfde woning woonde. Ook was er geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd, en het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.