ECLI:NL:CRVB:2019:4106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en hennepkwekerij
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en woonde op een adres waar op 14 december 2015 een hennepkwekerij werd aangetroffen. Naar aanleiding hiervan startte het college een onderzoek en trok de bijstand over de periode 1 november 2013 tot en met 3 februari 2016 in, met terugvordering van €30.969,98. Appellant voerde aan dat de hennepkwekerij in een deel van het pand was dat hij niet huurde en dat hij geen exploitant was.
De Raad oordeelde dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de exploitant van de hennepkwekerij was, waardoor deze grond voor intrekking niet opgaat. Echter, appellant had ook niet gemeld dat er een groot aantal kasstortingen op drie bankrekeningen had plaatsgevonden en dat hij inkomsten had uit werkzaamheden aan auto's, wat hij onvoldoende kon onderbouwen.
Gezien de onduidelijkheid over de financiële situatie en het niet nakomen van de inlichtingenverplichting, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en onvoldoende aannemelijkheid dat appellant geen exploitant was van de hennepkwekerij.