ECLI:NL:CRVB:2019:4137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oordeel UWV over belastbaarheid en recht op ziekengeld na bedrijfsongeval
Appellant, laatstelijk werkzaam als puinruimer, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval met pijnklachten aan het linkerbeen. Het UWV kende hem ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling werd het recht op ziekengeld voortgezet. Later stelde een verzekeringsarts dat appellant belastbaar was met beperkingen, en een arbeidsdeskundige selecteerde drie functies waarmee appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Op basis hiervan beëindigde het UWV het recht op ziekengeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij aan zware depressiviteit lijdt en dat zijn pijnklachten niet goed zijn gediagnosticeerd, met verwijzing naar rapporten van diverse medisch specialisten. Hij stelde dat de rechtbank ten onrechte deze rapporten niet had betrokken en dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten vanwege fysieke beperkingen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig was verricht, waarbij alle beschikbare medische informatie was betrokken. De lichamelijke klachten waren niet voldoende objectiveerbaar en het pijngedrag medisch niet te verklaren. De aanvullende informatie van de GGZ gaf geen aanleiding tot wijziging van de vastgestelde belastbaarheid. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.