ECLI:NL:CRVB:2019:4175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AIO-aanvulling wegens gezamenlijke huishouding tussen appellant en oudtante
Appellant betwistte dat hij vanaf 11 juni 2014 tot 22 september 2015 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn oudtante X, die een AIO-aanvulling ontving volgens de norm voor alleenstaanden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had de AIO-aanvulling herzien naar de gehuwdennorm, omdat zij op grond van onderzoek en huisbezoek concludeerde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad beoordeelde dat appellant en X hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse zorg. Dit bleek uit het gebruik van de woning door appellant, zijn verzorging van X bij ziekte, het gezamenlijk betalen van boodschappen, en het samen eten en ontvangen van familie. De motieven en aard van de relatie waren niet relevant voor de beoordeling.
Ondanks het feit dat appellant een maandelijkse bijdrage van €180 betaalde, oordeelde de Raad dat de relatie verder ging dan een zakelijke huur- of kostgangersrelatie. De onderzoeksresultaten, waaronder een door beide partijen ondertekende checklist, boden voldoende grondslag voor het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de herziening van de AIO-aanvulling bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en zijn oudtante een gezamenlijke huishouding voeren, waardoor de AIO-aanvulling wordt herzien naar de norm voor gehuwden.