Belanghebbende, woonachtig in Nederland, was in 2013 werkzaam op een binnenschip en wisselde dat jaar van werkgever van een Nederlands bedrijf naar een Cypriotische onderneming. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) gaf verschillende A1-verklaringen af die bepalen onder welke nationale sociale zekerheidswetgeving belanghebbende valt. De SVB gaf op 4 januari 2013 een onherroepelijke A1-verklaring af, maar later op 24 juni 2014 een nieuwe A1-verklaring die niet onherroepelijk was en die door belanghebbende en diens werkgever werd betwist.
De zaak spitst zich toe op de vraag of de Inspecteur van de Belastingdienst terecht premies volksverzekeringen heeft geheven op basis van deze A1-verklaringen, vooral omdat de latere verklaring niet onherroepelijk was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de SVB de juiste procedure niet had gevolgd bij het afgeven van de latere verklaring, waardoor deze voorlopig moest worden beschouwd. Dit leidt tot onzekerheid over de rechtsgeldigheid van de aanslag.
Het Hof heeft het onderzoek geschorst en legt de Hoge Raad prejudiciële vragen voor over de rechtsgevolgen van het niet-onherroepelijk zijn van A1-verklaringen, de mogelijkheid tot aanhouding van de zaak, en de rol van de Inspecteur bij het opleggen van aanslagen in deze context. Het Hof benadrukt de complexiteit van de samenwerking tussen verschillende bestuursorganen en rechterlijke instanties en de mogelijke gevolgen voor de rechtszekerheid en toegang tot de rechter.