ECLI:NL:CRVB:2019:4236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens verregaande nalatigheid in re-integratieverplichtingen van beroepsmilitair
Appellant, een beroepsmilitair bij de Koninklijke Luchtmacht, werd sinds 2014 als herplaatsingskandidaat aangemerkt en vanaf 2015 als externe herplaatsingskandidaat. Na een beenbreuk buiten diensttijd werd van hem verwacht mee te werken aan een re-integratietraject, bestaande uit spoor 1 en spoor 2. Ondanks meerdere waarschuwingen en sancties, waaronder een loonsanctie van 10%, voldeed appellant niet aan zijn verplichtingen en verscheen hij niet op afspraken met re-integratiebegeleiders en bedrijfsartsen.
De staatssecretaris van Defensie besloot tot ontslag wegens verregaande nalatigheid op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant de gedragingen niet had betwist en dat het ontslag niet onevenredig was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de staatssecretaris ten onrechte het stappenplan van de Nota Herzien Re-integratiebeleid had gevolgd en dat van het beleid moest worden afgeweken. De Raad oordeelde dat het stappenplan juist was toegepast gezien de tijdelijke aanstelling van appellant en zijn nalatigheid. Ook was er geen bijzondere reden om van het beleid af te wijken.
De Raad bevestigde dat de gedragingen van appellant over een langere periode verwijtbaar waren en dat het ontslag proportioneel was gezien de ernst van de nalatigheid en herhaalde overtredingen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het ontslag wegens verregaande nalatigheid wordt bevestigd.