ECLI:NL:CRVB:2020:334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid wegens niet nakomen re-integratieverplichtingen militair
Appellant, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, liep in 2014 een ernstige blessure op en werd ziekgemeld. Tijdens het re-integratietraject hield hij zich niet aan afspraken, verscheen niet bij re-integratiebegeleiders en medische keuringen, ondanks waarschuwingen en loonsancties. De minister verleende hem ontslag wegens plichtsverzuim, wat door de rechtbank en de Raad werd bevestigd.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze uit te keren wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank vernietigde het besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel en oordeelde dat appellant door zijn gedrag een dringende reden gaf voor ontslag en dat hem dit verwijtbaar is.
De Raad overwoog dat de verplichtingen van appellant verder gingen dan alleen controlevoorschriften en dat zijn langdurige weigering tot medewerking, ondanks loonsancties en afspraken, een ernstige schending vormde. Het beroep van appellant dat het re-integratietraject onjuist was, faalde omdat hij zijn bezwaren niet kenbaar maakte en het traject door zijn eigen gedrag niet kon starten.
De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verwijtbare werkloosheid van appellant wordt bevestigd.