Uitspraak
17.5933 AWBZ, 17/7375 AWBZ
OVERWEGINGEN
artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €61.943,42 op grond van de Regeling subsidies AWBZ. Hij gaf op dat hij dit bedrag had besteed aan zorgverleners [A] en [B]. Het zorgkantoor stelde het pgb echter op nihil vast en vorderde het bedrag terug wegens onvoldoende deugdelijke verantwoording.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen dit besluit gegrond en bepaalde dat het zorgkantoor een nieuwe beslissing moest nemen. Het zorgkantoor stelde vervolgens het pgb opnieuw lager vast (bestreden besluit 2), omdat niet kon worden vastgesteld dat de zorg van [A] en [B] daadwerkelijk AWBZ-zorg betrof. De Raad bevestigt dit oordeel, onder meer vanwege het ontbreken van een actueel zorgplan en onduidelijkheden over de aard, frequentie en omvang van de verleende zorg.
De Raad overweegt dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en dat de belangenafweging redelijk was. Fouten in de verantwoording door derden komen voor rekening van appellant. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om het pgb over 2014 lager vast te stellen wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.