ECLI:NL:CRVB:2019:4311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Schoneveld
- A. Stehouwer
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens niet vervulde wachttijd en onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, sinds 1992 zelfstandig ondernemer en directeur-grootaandeelhouder, vroeg in 2015 met terugwerkende kracht een WAZ-uitkering aan wegens klachten na medische ingrepen in 1999. Het UWV stelde na onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen vast dat zij lichte beperkingen had vanaf mei 1999, maar niet arbeidsongeschikt genoeg was om een uitkering te rechtvaardigen. De wachttijd van 52 weken was niet vervuld en de belastbaarheid was niet significant verminderd tot 1 augustus 2004.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees haar verzoek om een deskundige af. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij meer beperkingen had en dat de arbeidsdeskundigen haar werkomschrijving verkeerd hadden beoordeeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en gemotiveerd was, dat de beschikbare gegevens onvoldoende waren om verdere beperkingen aan te nemen en dat de wachttijd niet was voldaan.
De Raad benadrukte dat bij een laattijdige aanvraag een retrospectieve beoordeling plaatsvindt en dat het risico van onvoldoende gegevens bij appellante ligt. De aangeleverde aanvullende medische stukken en rapporten boden geen nieuwe inzichten voor een andere beoordeling. De Raad bevestigde dat appellante met de vastgestelde belastbaarheid haar eigen werk kon verrichten en dat geen recht op WAZ-uitkering bestond. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering wegens het niet vervullen van de wachttijd en onvoldoende arbeidsongeschiktheid.