Uitspraak
16.3104 WIA
mr. M.W.L. Clemens.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig lasser, meldde zich ziek vanwege oogklachten en andere fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de WIA-uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn oogproblemen en de daaruit voortvloeiende klachten zoals vermoeidheid en concentratieproblemen.
De Raad benoemde een oogarts als deskundige, die beperkingen vaststelde op het gebied van visus en aandacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep betwistte deze beperkingen op grond van de CBBS-instructies, die beperkingen voor vasthouden en verdelen van aandacht alleen toekennen bij ernstige stoornissen. De arbeidsdeskundige stelde dat de geselecteerde functies medisch passend zijn en het arbeidsongeschiktheidspercentage 34,74% bedraagt.
De Raad volgde het standpunt van het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de voorgestelde extra beperkingen onvoldoende medisch gemotiveerd waren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd. Tevens oordeelde de Raad dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met ruim een jaar was overschreden, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500 en proceskosten van €256 aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.