Uitspraak
16.7134 ZW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek met klachten aan zijn rechterenkel. Na beëindiging van zijn dienstverband ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 19 augustus 2015 stelde het UWV vast dat appellant per 26 augustus 2015 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt was voor de functie snackbereider. Appellant maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat het UWV onvoldoende had aangetoond dat hij geschikt was voor het werk. Hij bracht medische rapporten in van Instituut Psychosofia en verwees naar het arrest Korošec van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, stellende dat er sprake was van een oneerlijk proces.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunt te onderbouwen en dat er geen sprake was van schending van het beginsel van equality of arms. De Raad vond geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.